Cremeren is zo oud als de mensheid. In de Bronstijd werden al urnen in hunebedden bijgezet. Vanaf Karel de Grote (rond 800) werd in het Westen echter begraven gemeengoed. Als christelijke vorst verbood hij het cremeren zelfs (in 785). Zo bleef begraven de volgende elf eeuwen de enige manier van dodenbezorging.
In de vorige eeuw en de eerste helft van deze eeuw bestond er uit geloofsovertuiging veel tegenstand tegen cremeren. Door de dode te begraven in plaats van te verbranden, 'bleef het lichaam intact en stond niets de wederopstanding en het eeuwige leven in de weg'.
Rond 1850 gingen in West-Europa voorstanders van crematie zich organiseren. Ze kregen steun van de medische wereld, die vanwege hygiëne en ruimtegebrek de voorkeur gaf aan crematie. De Nederlandse wet stond lijkverbranding niet toe. In Frankrijk, Italië en Duitsland was cremeren echter al wel mogelijk. Zo werd de Nederlandse schrijver Eduard Douwes Dekker (Multatuli) in Gotha (Duitsland) gecremeerd. Voor zover bekend, is hij de eerste Nederlander die gecremeerd werd.
In 1874 werd 'De Vereeniging tot invoering der Lijkverbranding in Nederland' - later de Koninklijke Facultatieve - opgericht. Zij had als doel cremeren in Nederland mogelijk te maken. In 1913 werd in het Noord-Hollandse Velsen, het eerste crematorium van Nederland gebouwd: Crematorium Westerveld. Op 1 april 1914 vond hier de eerste crematie plaats, die van dr. C.J. Vaillant, oud-bestuurslid van de Vereniging.
In 1968 werd in de Wet op de lijkbezorging crematie gelijkgesteld aan begraven. De LVC werd in 1988 opgericht. Er waren in ons land toen 32 crematoria die samen ruim 51.000 crematies verzorgden. Zo’n 40% van alle overledenen werd in die tijd gecremeerd. Het aantal crematoria in ons land is sinds 1988 ruim verdubbeld. In 2003 werden in ons land voor het eerst meer overledenen gecremeerd dan begraven (circa 72.000). Voor de meest actuele gegevens zie leden en aantallen.